Tagarchief: griendcultuur

Paradijs voor korstmossen

Door het staken van de griendcultuur is de betekenis van de Biesbosch voor korstmossen enorm toegenomen. “Hierdoor ontstond er veel nieuw bos, met een enorme oppervlakte aan onbegroeid schors” zegt Arno van der Pluijm, mossenkenner uit Hank. “Ideale plekken voor zeldzame pioniersoorten”.

Kleurige plakkaten
Korstmossen groeien uiterst langzaam; amper twee millimeter per jaar en gedragen zich als pionier, vooral daar waar zij niet door zaadplanten kunnen worden overwoekerd of verdrongen. Als je tijdens een wandeling erop let, kom je ze overal tegen. Je hoeft er dus niet voor naar het buitenland. De kleurige plakkaten zitten niet uitsluitend op bomen; je kunt ze ook vinden op bruggen, dakpannen, schuurdeuren, muren en daken. Meestal bedekken ze ook grafzerken van kerkhoven. Vooral oude kerkhoven, waar de zerken al jaren op hun dooie gemak liggen of achterover leunen. Namen en jaartallen worden tergend langzaam door korstmossen in bezit genomen; in allerlei vlekkerige patronen in getemperde tinten groen, grijs, bruin, geel of rood. Vergankelijkheid kent op dergelijke verlaten plekken, een bijzonder kleurig verloop. Met een beetje fantasie kun je in al die plakkaten allerlei landkaarten ontdekken vol continenten, eilanden en schiereilanden. Een kosmos van korstmos.

Gewoon schildmos op dood hout. (foto; Jacques van der Neut)

Vloedschedemos
Van der Pluijm kijkt al sinds 1984 naar mossen en korstmossen in de Biesbosch. “Vanuit mijn woonplaats Hank kwam ik regelmatig in de Biesbosch om er naar vogels en wilde planten te kijken. In die dagen kwam de Beknopte Mosflora op de markt en hiermee kon ik mijn eerste mosjes op naam brengen.” Van Staatsbosbeheer kreeg hij een vergunning en met behulp van een kano en roeiboot, doorkruiste hij het hele natuurgebied om mossen en korstmossen te inventariseren. Later verdiepte hij zich ook in de ecologie van die soorten. Van der Pluijm ken ik al vele jaren en vergezelde hem meerdere keren tijdens zijn omzwervingen door het gebied. Om boomstammen beter te kunnen bekijken klom hij destijds als een aap rap omhoog, om met een loep iedere centimeter grondig te kunnen bekijken. “Dat geklim en geklauter laat ik nu achterwege” glimlacht hij. “De totale lijst voor de Biesbosch komt ongeveer neer op zo’n 200 mossoorten en 150 soorten korstmossen. Zo’n vijftien daarvan waren nog niet eerder in Nederland aangetroffen; in zulke gevallen biedt een buitenlandse flora uitkomst. Vooral vloedschedemos, in het terrein trouwens ontdekt door Hans Schoorl, is een hele bijzondere. Dit forse mos van modderstammen in het getijdengebied komt in Europa verder alleen voor op één locatie in Engeland en daarbuiten pas in riviermoerassen van Midden-Siberië.”

“Het staken van de griendcultuur was een goede ontwikkeling voor mossen en korstmossen” – Arno van der Pluijm

Arno van der Pluijm onderzoekt een wortelkluit van een omgewaaide wilg. (foto; Thijs van Trigt).

Ammoniak en stikstof
Uit het onderzoek van Van der Pluijm blijkt dat de huidige wilgenbossen zich heel waardevol ontwikkelen. In feite zijn het de doorgegroeide hakgrienden van weleer. “In die zin zou je ze als ‘kunstmatig’ kunnen betitelen, maar inmiddels zijn het de oudste voorbeelden van zeer voedselrijk zachthoutooibos in het Europese laagland. Vooral de rijkdom aan korstmossen neemt nog steeds toe, waaronder ook steeds meer ‘oudbos’-soorten. Mossen en korstmossen hebben lichte sporen die zich sneller verspreiden dan hogere planten. Onlangs is ook een tweetal korstmossen uit de Biesbosch nieuw voor de wetenschap beschreven.” Tegenwoordig hoor je veel over de uitstoot van ammoniak en stikstof. Is er een trend merkbaar dat er meer stikstofminnende soorten korstmos in de Biesbosch verschijnen? “Ja, dat zie je hier ook en wilgen hebben van nature al een voedselrijke schors. Een stikstofindicator is bijvoorbeeld het bekende, oranjegele groot dooiermos. Die is er nu zeer algemeen, maar kwam in de jaren tachtig van de vorige eeuw in de wilgenbossen niet eens voor. Qua zwaveldioxide is de lucht veel schoner geworden (‘zure regen’) en daar profiteren korstmossen direct van. De opwarming van het klimaat zie je ook terug. Vooral korstmossen uit zuidelijke streken lijken zich hier nieuw te vestigen.” Korstmossen komen voor op uiteenlopende locaties. Speelt het substraat hierbij een rol? “Ja, zeker! Dat maakt het (korst)mosonderzoek zo interessant. Zo groeit het lichtend schorssteeltje soms massaal op de onderkant van wortelschijven van omgewaaide wilgen. Het wilgenschorssteeltje moet je vooral zoeken op zacht hout van staande ‘boomlijken’ en de witte runenkorst staat op jonge, verticale takken van omgewaaide wilgen”.

Innige samenleving
Korstmossen, kenners spreken ook wel over lichenen, zijn in feite geen mossen. Een korstmos is een innige samenleving van schimmeldraden en ééncellige algen of draadalgen. Vaak zijn deze zo sterk met elkaar

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Rendiermos-is-een-struikvormig-korstmos-1024x665.jpg
Rendiermos is een struikvormig korstmos. (foto; Jacques van der Neut)

verbonden dat ze buiten het samenwerkingsverband geen overlevingsmogelijkheid bezitten. Ze kunnen toe met weinig voedingsstoffen en halen die gewoonlijk uit de regen en het stof in de lucht. Ook kunnen ze in geval van uitdroging lange tijd, soms jarenlang, in een rustfase blijven en na toevoeging van water weer actief worden. Korstmossen vormen een belangrijk onderdeel van de flora van toendra’s in de poolgebieden. Rendiermos is zeer populair, zeker in deze tijd, waarbij het veel wordt verwerkt in kerststukjes.